Flexibele insolventieregels blijven gelden tot 31 maart 2023

Tijdens de coronacrisis werden de insolventieregels aanzienlijk versoepeld en werd ook voorzien in een zogenaamde pre-packaged bankruptcy-procedure. In principe moesten die versoepelingen al midden 2022 stoppen, maar intussen werden ze verlengd. En meteen tot 31 maart 2023.

Even recapituleren

De versoepeling van de insolventieregels bestaat in feite uit drie delen.
Een eerste versoepeling betreft de wettelijke eis om bij het indienen van een verzoekschrift tot opening van een gerechtelijk akkoord meteen ook alle stukken toe te voegen; en dit ‘op straffe van nietigheid’. Dat hoeft momenteel niet: de ondernemingen mogen de nodige documenten nog tot 2 dagen voor de zitting neerleggen. 

De tweede versoepeling heeft te maken met de duur van het handelsonderzoek: die werd – ten behoeve van de ondernemingen in moeilijkheden in het coronatijdperk – verlengd.
Als er een rechter-verslaggever werd aangesteld, dan bedraagt die termijn momenteel 8 maanden (.i.p.v. de gebruikelijke 4 maanden) en de termijn is bovendien verlengbaar tot 10 maanden.
Wordt het onderzoek door de kamer voor ondernemingen in moeilijkheden zelf gevoerd, dan bedraagt de termijn nu 18 maanden (i.p.v. 8 maanden).

De derde maatregel bestaat uit de ‘pre-packaged bankruptcy-procedure’. Die procedure laat ondernemingen in moeilijkheden toe om een voorbereidend akkoord te sluiten met één of meerdere schuldeisers. Dat biedt het voordeel dat de rechtbank sneller kan beslissen tot een verderzetting van de onderneming onder de voorwaarden waarover de partijen het al eens zijn geworden.

Waarom?

Maar waarom dit bijkomende uitstel? De reden hiervoor is niet zozeer te zoeken bij (de naweeën van) de Covid 19-crisis, maar wel bij een Europese richtlijn. Het gaat meer in het bijzonder om de Europese Herstructureringsrichtlijn van 2019, die eigenlijk tegen 17 juli 2021 had moeten omgezet zijn in Belgisch recht. Met die richtlijn wil de Europese Unie het insolventierecht in de verschillende lidstaten harmoniseren, met nadruk op doeltreffende preventieve herstructureringsstelsels. Verder wil Europa eerlijke ondernemers die insolvent zijn of een overmatige schuldenlast hebben, na een redelijke termijn een volledige kwijtschelding van schulden toestaan. Tot slot bevat de richtlijn ook regels voor efficiëntere insolvabiliteitsprocedures. 

Ons land begon in 2021 met de voorbereidingen om het Belgische insolventierecht aan te passen aan de Herstructureringsrichtlijn, maar haalde de deadline niet.

Vertraging in België

De maatregelen die tegen de coronacrisis werden genomen, bleken wel een stap in de goede richting te zijn, maar waren op zich niet voldoende. Er is nog meer wetgevend werk nodig om de richtlijn volledig te kunnen overnemen in Belgisch recht. Gelukkig konden de lidstaten 1 jaar uitstel krijgen als ze bijzondere moeilijkheden ondervonden bij het omzetten van de richtlijn. Vandaar dat de coronaversoepelingen oorspronkelijk tot 17 juli 2022 liepen. Maar ook die datum bleek uiteindelijk niet haalbaar.

In plaats van de solvabiliteitsregels na corona terug te draaien naar de klassieke regels en die daarna opnieuw aan te passen aan het Europese solvabiliteitsrecht, besliste de regering nu om het huidige coronaregime te behouden tot 31 maart 2023, in de hoop dat de Europese richtlijn tegen die datum wel geïntegreerd kan worden in ons Belgisch recht.

Nieuws

Elk jaar worden de tarieven van de notionele intrestaftrek (NIA) d.i. de aftrek voor risicokapitaal vastgelegd. In het Belgisch Staatsblad van 19 september 2022 werd het basistarief voor aanslagjaar 2023 bekend gemaakt. Dat basistarief is weerom negatief, maar

Het Hof van Beroep van Luik verwerpt een boete opgelegd door de belastingadministratie wegens niet-aangifte van een buitenlandse juridische constructie. Er was in hoofde van de belastingplichtige immers geen intentie om de belasting te ontduiken. Het hof gaat daarmee verder dan de Vlaamse hoven en rechtbanken.

Wat gebeurt er als een aandeelhouder zijn aandelen overdraagt vr de volstorting ervan? Ook onder het nieuwe Wetboek van vennootschappen en verenigingen (WVV) blijft die vraag relevant.