Bijklussen in 2021

Wat blijft er nog over van het gratis blijklussen zoals we dat in 2018 kenden? Het Grondwettelijk Hof vernietigde die regeling in de loop van 2020. We vallen daardoor sinds begin 2021 terug op het “oude stelsel”.

Hoe het was

In 2017 werd een vrijstelling van belastingen en sociale zekerheid ingevoerd voor klusjes tussen particulieren en voor werk in een vereniging. In 2018 werd het stelsel ook opengezet voor activiteiten in de deeleconomie.
Maar het Grondwettelijk Hof vond dat het gratis bijklussen een oneerlijke concurrentie uitmaakte voor ondernemers die zich met dit soort zaken bezighoudt (denken we aan de tuiniers, klusjesdiensten, ...). Het hof besliste dat de regeling moest ophouden vanaf 1 januari 2021. En zo geschiedde het ook.

Hoe het nu zit

De belastingvrijstelling en vrijstelling van de sociale zekerheid voor klusjes als particulier is helemaal weg.
Uiteraard wordt u niet meteen belastingplichtig als u de buur een handje helpt en u daar iets voor krijgt. Het wordt misschien wel anders als u met die buur een contractje sluit dat u bijvoorbeeld de tuin onderhoudt gedurende een zekere periode. De kans bestaat dat de fiscus het inkomen zal kwalificeren als een divers inkomen waarop een belastingtarief van 33% verschuldigd is.
Profileert u zich nog meer, en begint u grotere middelen in te zetten, dan loopt u zelfs de kans dat de fiscus uw activiteit als een beroepsactiviteit zal zien, waardoor het inkomen belastbaar wordt als beroepsinkomen.

Vrijwilligers in verenigingen

Vrijwilligers kunnen, net zoals voorheen aan de slag voor een vereniging maar mogen daar “in principe” geen vergoeding voor krijgen.
Wel zijn onkostenvergoedingen toegelaten. Die mogen ook forfaitair vastgelegd worden maar dan mogen ze bepaalde maxima niet overstijgen: momenteel zijn die maxima 35,41 euro per dag en 1.416,16 euro per jaar. Er zijn hogere grenzen voor bepaalde activiteiten. Ligt de vergoeding die u krijgt hoger dan die maxima, dan ontvangt u een loon en wordt u daarop progressief belast.

Vrijwilligers in “sportieve” verenigingen

Daarnaast voorziet een wet van 24 december 2020 een bijzonder belastingstelsel voor “verenigingswerk”. Die uitzondering is echter beperkt tot sportverenigingen!
De inkomsten uit dit soort verenigingswerk zijn belastbaar als divers inkomen. Slechts de helft van het inkomen is belastbaar (er is een forfaitaire kostenaftrek van 50%) en het tarief is 20%.

Maar zoals gezegd, de toepassing is eerder beperkt. Enkel de volgende activiteiten komen in aanmerking:

1.  animator, leider, monitor ... die sportinitiatie en/of sportactiviteiten verstrekt;

2. sporttrainer, sportlesgever, sportscheidsrechter, jurylid, steward, terreinverzorger-materiaalmeester, seingever bij sportwedstrijden;

3. conciërge van sportinfrastructuur;

4. ondersteuning op kleinschalige basis inzake administratie, bestuur, logistieke verantwoordelijkheden;

5. hulp op kleinschalige basis bij het opstellen van nieuwsbrieven en andere publicaties in de sportsector;

6. opleidingen, lezingen, en presentaties in de sportsector.

Er zijn nog tal van andere beperkingen waar u rekening moet mee houden. De bijklusser moet ouder zijn dan 18 jaar, moet een minimumvergoeding ontvangen en is niet volstrekt werkloos geweest in een periode vóór het bijklussen.

Er is bovendien een maximum aan de inkomsten die u zo kan opstrijken, nl. 1/12e van 3.830 euro per maand (te indexeren bedrag). Dat komt in 2021 neer op iets minder dan 6.390 euro ofwel 532,50 euro per maand. Voor de activiteiten 1 en 2 uit de lijst hierboven is het maximum 1.065 euro per maand.
Als de grens van 6.390 euro overschreden wordt (eventueel in combinatie met de inkomsten uit de deeleconomie - zie hierna), dan zijn de inkomsten volledig beroepsinkomsten.

Dit bijzondere stelsel is slechts 1 jaar geldig en eindigt dus op 1 januari 2022.

Inkomsten uit de deeleconomie

Vrijwel gelijktijdig met de nieuwe wet voor de verenigingen werd er ook een nieuwe wettelijke regeling voorzien voor inkomsten uit deeleconomie. Het stelsel is grotendeels hetzelfde als dat van 2016.

Belangrijkste elementen van de vernieuwde regeling zijn:

er is een forfaitaire aftrek van 50%;

het tarief op deze inkomsten is 20%;

het gunstregime is enkel van toepassing op erkende platformen voor deeleconomie (inkomsten uit niet-erkende platformen zijn belastbaar als divers inkomen aan 33%);

de erkende platformen voor deeleconomie moeten sinds 1 februari 2021 ook bedrijfsvoorheffing inhouden;

alle deelplatformen (erkende en niet-erkende) moeten hun betrokken medewerkers informeren over de fiscale en sociaalrechtelijke verplichtingen.

Voor inkomsten uit de deeleconomie en het verenigingswerk samen geldt één jaargrens van 6.390 euro bruto per kalenderjaar. Dat is dus het maximumbedrag van de vergoedingen en door het kostenforfait van 50% is dus slechts de helft daarvan belastbaar. Voor inkomsten uit erkende platformen is er geen maandgrens.

Niet alleen belasting voor de medewerker

De huidige “bijklusregeling” heeft niet alleen fiscale gevolgen voor de persoon die klust, helpt of bijverdient. Wie de voorwaarden of grenzen niet naleeft, wordt geconfronteerd met hogere belastingtarieven en sociale zekerheidsbijdragen. Maar ook de vereniging wordt plots een échte werkgever met allerlei sociale verplichtingen en uiteraard ook sociale bijdragen.

Nieuws

De CBN heeft een advies gepubliceerd over de boekhoudkundige verwerking van de wederopbouwreserve. De wederopbouwreserve is één van belangrijkste maatregelen die ondernemingen moet toelaten zich na de pandemie te herpakken. Hoe gaat die wederopbouwreserve in de praktijk?

Als u materiaal aanbiedt aan uw medewerkers om te kunnen werken, dan zijn er twee mogelijkheden. Ofwel beschouwt de fiscus het als kosten eigen aan de werkgever (en dan is het niet belastbaar voor de werknemer), ofwel als voordeel van alle aard (en dan is het uiteraard wel belastbaar). Pc’s en smartphones vallen onder die laatste categorie. Maar wat met de accessoires ervan?

De berekening van het voordeel van alle aard voor de bedrijfswagen is onder meer afhankelijk van de CO2-uitstoot van het voertuig tegenover de ‘gemiddelde uitstoot van het Belgische wagenpark’. Die gemiddelde uitstoot ging in 2018 en 2019 naar omhoog waardoor het voordeel kleiner werd. Door een nieuwe wet kan dat niet meer.