Een BV zonder maatschappelijk kapitaal

Het nieuwe Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (WVV) trad in werking op 1 mei 2019. Sindsdien kan u geen BVBA meer oprichten maar wel een BV. Sindsdien heeft u geen maatschappelijk kapitaal meer … maar wat dan wel?

Het minimumkapitaal van de BVBA

Als u vóór het WVV een BVBA oprichtte dan moest u een minimumkapitaal voorzien van 18.550 euro. Dat moest niet volledig volstort worden: op elk aandeel moest 20 % worden betaald, en in totaal minstens 6.200 euro. Bij eenmans-BVBA's bedroeg het minimaal te volstorten kapitaal bij oprichting 12.400 euro.

Dit verhaal werd met het nieuwe WVV helemaal overboord gegooid: een BV heeft geen maatschappelijk kapitaal, dus geen minimumkapitaal en dus ook geen minimum te volstorten kapitaal.

Een eigen vermogen

Maar dat betekent niet dat u zonder één cent aan een BV kan beginnen. Onder het WVV moeten oprichters er op letten dat de BV die ze oprichten over een eigen vermogen beschikt dat “toereikend is in het licht van de voorgenomen bedrijvigheid”.
Met andere woorden: u heeft als oprichter de verantwoordelijkheid er voor te zorgen dat de vennootschap die u opricht voldoende financiële middelen heeft.

Voldoende financiële middelen betekent niet alleen de sommen die u in de vennootschap inbrengt. Ook andere financieringsbronnen mag u mee tellen. Dat is met name het geval voor achtergestelde leningen (al dan niet van aandeelhouders). Boekhoudkundig is dit vreemd vermogen maar om te oordelen of uw vennootschap voldoende financiële middelen heeft om van start te gaan, is dit zonder belang.

Toereikend eigen vermogen

Als u bij de oprichting van een vennootschap niet voldoende financiering voorziet, dan schendt u de algemene zorgvuldigheidsnorm en begaat u een “fout”. En fouten leiden tot aansprakelijkheid.
Om rechters toe te laten beter te oordelen of u al dan niet onzorgvuldig was (en ook om oprichters enigszins tegen zichzelf te beschermen), moet u een financieel plan opstellen. Dat is op zich niet nieuw maar de verplichting is wel uitgebreider en strenger geworden.

Het financieel plan bevat de volgende informatie:

een nauwkeurige beschrijving van de voorgenomen bedrijvigheid;

een overzicht van alle financieringsbronnen bij oprichting (inclusief eventueel verstrekte zekerheden);

een openingsbalans en geprojecteerde balansen na twaalf en vierentwintig maanden;

een geprojecteerde resultatenrekening na twaalf en vierentwintig maanden;

een begroting van de verwachte inkomsten en uitgaven voor een periode van minstens twee jaar na de oprichting; en

een beschrijving van hypotheses die u gebruikt om de verwachte omzet en rentabiliteit te schatten.

Startende ondernemers doen er wellicht goed aan zich bij te laten staan door experts: in dat geval moet ook diens naam vermeld worden in dit financieel plan.
De notaris bewaart het plan samen de oprichtingsakte: het wordt niet publiek gemaakt.

Aansprakelijkheid

Als de vennootschap failliet gaat binnen de 3 jaar na de oprichting, dan kan u als oprichter persoonlijk aansprakelijk gesteld worden als blijkt dat het aanvangsvermogen “kennelijk” ontoereikend was om de eerste twee werkingsjaren te overbruggen.

In tegenstelling tot een BVBA kan u in een BV wel optreden als inschrijver bij de oprichtingsakte. Dit komt er op neer dat u uw middelen pas inbrengt na de oprichting. In de NV kon dit vroeger ook al: u bent dan geen oprichter. Uiteraard moet er wel minstens 1 persoon optreden als oprichter. Die oprichter of oprichters moeten minstens één derde van de aandelen bezitten.

Geen maatschappelijk kapitaal is dus geen vrijgeleide om lichtzinnig financiële avonturen op te starten. Net als bij de BVBA kan u bij een BV uiteindelijk toch persoonlijk opdraaien voor de schulden als blijkt dat u onzorgvuldig van start bent gegaan.

Nieuws

De CBN heeft een advies gepubliceerd over de boekhoudkundige verwerking van de wederopbouwreserve. De wederopbouwreserve is één van belangrijkste maatregelen die ondernemingen moet toelaten zich na de pandemie te herpakken. Hoe gaat die wederopbouwreserve in de praktijk?

Als u materiaal aanbiedt aan uw medewerkers om te kunnen werken, dan zijn er twee mogelijkheden. Ofwel beschouwt de fiscus het als kosten eigen aan de werkgever (en dan is het niet belastbaar voor de werknemer), ofwel als voordeel van alle aard (en dan is het uiteraard wel belastbaar). Pc’s en smartphones vallen onder die laatste categorie. Maar wat met de accessoires ervan?

De berekening van het voordeel van alle aard voor de bedrijfswagen is onder meer afhankelijk van de CO2-uitstoot van het voertuig tegenover de ‘gemiddelde uitstoot van het Belgische wagenpark’. Die gemiddelde uitstoot ging in 2018 en 2019 naar omhoog waardoor het voordeel kleiner werd. Door een nieuwe wet kan dat niet meer.