Vrijstelling van bedrijfsvoorheffing voor ploegenarbeid nu ook in bouwsector

Werkgevers zijn in principe verplicht de bedrijfsvoorheffing die ze inhouden op de bezoldiging van hun personeel door te storten aan de Schatkist. Op deze verplichting bestaan verschillende uitzonderingen. Bijvoorbeeld voor ploegenarbeid in bepaalde sectoren. De vrijstelling voor ploegenarbeid geldt nu ook in de bouwsector.

Verplichting tot doorstorting en vrijstelling

Ondernemingen houden bedrijfsvoorheffing in op het loon van hun werknemers. Deze voorheffing storten ze door aan de Schatkist. In de loop der jaren heeft de wetgever allerlei vrijstellingen ingevoerd, waarbij de werkgever de bedrijfsvoorheffing wel inhoudt, maar niet doorstort. De werkgever mag dan onder bepaalde voorwaarden de ingehouden zelf behouden.

Ploegen- en nachtarbeid

Voor ploegen- en nachtarbeid bestaat er al een vrijstelling. Die was tot nu toe alleen van toepassing op opeenvolgende ploegen. Dit had tot gevolg dat in de praktijk alleen ploegenarbeid in de industrie van de vrijstelling genoot. De voorwaarde van opeenvolgende ploegen is nu geschrapt voor werken in onroerende staat zoals bedoeld in de btw. Daardoor komt de bouwsector nu ook in aanmerking. De maatregel treedt in werking met terugwerkende kracht op 1 januari 2018.

De ploegenarbeid mag op locatie (lees: op een werf) plaatsvinden. Een 'ploeg' moet uit minstens twee werknemers bestaan die hetzelfde of complementair werk doen.

Vrijstelling van 3 %

Het vrijstellingspercentage bedraagt 3 % van de bezoldiging. Vanaf 1 januari 2019 stijgt het percentage tot 6 %, en vanaf 1 januari 2020 stijgt het nog verder tot 18 %.

Nieuw (voor de industrie en de bouwsector) is dat het bedrag dat de werkgever moet inhouden, maar zelf mag bijhouden, wordt berekend op niveau van de groep van alle werknemers die in aanmerking komen. Dit betekent dat als de effectief in te houden bedrijfsvoorheffing lager is dan het vrijstellingspercentage, het verschil mag worden afgehouden bij een ander personeelslid.

Voorbeeld
In de industrie bedraagt het vrijstellingspercentage momenteel 22,8 %.
Werkgever A heeft twee werknemers X en Y:

Werknemer X heeft een loon van 100. Volgens de barema's van de bedrijfsvoorheffing moet zijn werkgever hierop 20 % bedrijfsvoorheffing inhouden. Het vrijstellingspercentage waarop A recht heeft bedraagt echter 22,8 %. Er gaat dus eigenlijk 2,8 'verloren' omdat die niet wordt benut.

Werknemer Y heeft eveneens een loon van 100, maar bij hem moet volgens de barema's 25 % bedrijfsvoorheffing worden ingehouden. Daarvan mag de werkgever 22,8 voor zich houden. Dan blijft er nog 2,2 over die in principe moet worden doorgestort aan de Schatkist. Met die 2,2 mag A de 2,8 die bij X verloren ging, compenseren. Daardoor loopt de vrijstelling voor A nu op tot 45 (20 voor X + 22,8 voor Y + 2,2 doorgeschoven) in plaats van 42,8 (20 bij X + 22,8 voor Y). De werkgever verwerft dus een grotere vrijstelling.

Alleen de laatste 0,6 (2,8 - 2,2) gaat nog verloren en moet A aan de Schatkist doorstorten.

Voorwaarde: minimumloon ploegenarbeider

De vrijstelling telt alleen voor werknemers met een bruto-uurloon van ten minste 17,42 euro (geïndexeerd bedrag voor aj. 2019).

Niet voor eenmalige betalingen

De vrijstelling is niet van toepassing op:

Uitbetalingen die maar één keer per jaar gebeuren, zoals vakantiegeld en eindejaarspremie.

Achterstallige bezoldigingen.

Bijkomende premies.

Waarom uitbreiding naar bouwsector?

De schrapping gebeurde specifiek om ploegenarbeid in de bouwsector fiscaal interessanter te maken. De regering wil hiermee:

De loonkost verminderen.

Sociale dumping tegengegaan.

Zwart werk doen afnemen.

Nieuws

Sinds 2006 al kunnen werkgevers een eenmalige innovatiepremie voor vernieuwende ideen toekennen aan hun werknemers. Ook voor de periode 2017-2018 kunnen werkgevers dit instrument gebruiken om innovatieve werknemers te belonen. De regeling is opnieuw verlengd. De voorwaarden en de procedure wijzigen niet.

De hervorming van het Wetboek van vennootschappen van 7 mei 1999 draait rond vereenvoudiging, flexibilisering en aanpassing aan Europese evoluties. Over die ingrijpende hervorming is het laatste woord nog lang niet geschreven. Vandaag staan we stil bij de verdwijning van n van de basisprincipes uit ons vennootschapsrecht: het onderscheid tussen burgerlijke en handelsvennootschappen.

En van de belangrijke elementen in de hervorming van de vennootschapsbelasting is de manier waarop kapitaalverminderingen worden aangerekend. Vroeger had de vennootschap hierin een vrije keuze. Voor kapitaalverminderingen vanaf 2018 werd deze keuzevrijheid afgeschaft. Vanaf nu wordt de vermindering pro rata aangerekend op het gestort kapitaal, en op de reserves van de vennootschap. Daardoor wordt een deel van de terugbetaling een uitkering van dividenden. En daardoor belastbaar.